Eén onweersbui alstublieft

Je kunt mij een groot plezier doen met een flinke onweersbui. Ter inspiratie voor spannende verhalen bedoel ik dan. Als ik er zelf middenin zit ben ik er minder blij mee. Wanneer de eerste lichtflits de hemel doorklieft, veer ik op en spits mijn oren om niets te hoeven missen van de daarop volgende rollende donder.

Vanaf de bank zie ik hoe donkere wolken voorbijrazen en de takken van de bomen wild heen en weer zwiepen. De regen stort zich vol overgave op het dakraam. Niets heerlijkers dan comfortabel hangen op de bank of diep wegduiken onder je dekbed terwijl je de hoofdpersoon uit je verhaal lekker buiten voor een dichte deur laat staan. Ga maar eens uitzoeken hoe je dit onweer moet overleven.

Menig snodaard werd in mijn fantasie geboren tijdens een hels onweer om de rest van zijn leven nergens meer voor te deugen. Regelmatig worden er lijken versleept in de stromende regen omdat criminelen daar nou eenmaal de voorkeur aangeven. Op een warme zomeravond doe je zoiets gewoon niet, dan rooster je de ‘lijken’ op de BBQ. Ook liet ik eens een man om het leven komen, door de bliksem getroffen, toen hij met een spade iemand de genadeklap wilde geven. Ik kan er niets aan doen, bij de eerste donderklap gaan de radartjes in mijn hoofd draaien en trekken moordenaars hun jas aan om ‘buiten te spelen’.

Wat als je nou middenin zo’n heftige scene zit en het zonnetje schijnt vrolijk door je venster naar binnen? Geen nood, daar heb ik de perfecte oplossing voor. Met een selectie aan regen- en onweersbuien op cd kan ik door mijn ogen te sluiten in de juiste sfeer komen.
Als donkere wolken zich samenpakken kun je het, als hoofdpersoon in mijn verhalen, wel schudden!

In het kader van de thrillermaand en het ´schitterende zomerweer´ heb ik deze blogpost uit juni 2011 opnieuw geplaatst.

Verhaal: In de tuin

Het is zaterdagochtend en de zon schijnt. Met een broodje en een kopje thee loop ik naar buiten. Ik zet een stoel in de zon, haal wat kussens en een boek. Tevreden ga ik zitten en roer in mijn thee. Eindelijk lijkt de zomer dan toch aan te breken. Voorzichtig ben ik begonnen de afgelopen avonden buiten te eten. Eerst even een half uurtje uitblazen na een werkdag, dan het eten klaar maken. Een placemat op de tafel, bord en bestek mee en als ik dan eindelijk zit is de zon weg. Natuurlijk is het dan te koud om te blijven zitten en ik neem alles weer mee naar binnen om daar grommend toe te zien hoe mijn tuinstoelen alweer baden in het zonlicht.

Nu is het dan zover, uit in eigen tuin. Het boek laat ik nog even liggen, eerst geniet ik van het feit dat ik het onkruid er vorige week al uitgehaald heb. Dan geniet ik van de rust, de fluitende vogeltjes, de piepende jonge meerkoetjes en kwakende eenden in het slootje dat aan mijn tuin grenst. Via een luid gesnuif laten de zwanen weten dat ze best een stukje brood zouden lusten, maar dat gaan ze dan zelf maar zoeken.
Een paar meerkoeten rennen over het water wat eenden achterna en ik hoor een hoop gespat. Tussen het bamboe door zie ik een rubberbootje dobberen met een jochie er in. Het puntje van zijn tong steekt uit zijn mond terwijl hij probeert de boot recht te houden. Hij vaart natuurlijk tegen mijn steiger aan en draait vervolgens stuurloos enkele rondjes voor hij de rest van de sloot onveilig maakt.

Ik sla het boek open en begin te lezen. Bij de buren gaat de deur open.
“Papa gaan we buiten zitten? Papa kijk nou, de zon”, hoor ik mijn buurmeisje zeggen. Eerst moet ze de bloemetjes water geven en ik hoor de buurman lachen omdat ze een plastic plant ook water geeft. De deur gaat dicht en het wordt weer rustig.
Niet lang natuurlijk. Het rubberbootje komt terug met twee jochies er in die joelend en vervaarlijk zwaaiend met peddels langs dobberen. Ik denk na over een systeem om tol te heffen zonder al te lullig over te komen. Dan dwing ik mezelf ontzettend blij te zijn dat het geen rondvaartboot is die een paar keer per dag langskomt, wat maar matig lukt. Vervolgens probeer ik aan al die minderbedeelden te denken die helemaal geen tuin tot hun beschikking hebben en als ook dat niet lukt herinner ik me ineens hoe zielig ik mezelf vond toen ik nog in de flat woonde. Zo dat werkt, ik ben weer tevreden.

Inmiddels zitten de buren gezellig buiten. De buurman zit te vissen en ik vermoed dat de buurvrouw een boekje leest. De kids zijn aan het spelen maar dat duurt meestal niet lang. Mijn buurmeisje begint te zingen: “Hocus Pocus, iedereen kan toveren … hm, hm, hm. Hocus Pocus, iedereen kan toveren … hm, hm, hm.” Ze herhaalt het nog een paar keer en ik hoop dat haar moeder het net zo zat begint te worden als ik. Helaas, ook de buurvrouw denkt dat iedereen kan toveren en ze zingt mee. Krampachtig lees ik verder. Het helpt ook niet wanneer ze voorstelt de kinderen voor te lezen.

Weer komt het rubberbootje langs met ditmaal een jochie en een volwassen vent er in. Met open mond kijk ik het bootje na en met open mond kijkt de man terug. Ik herstel me en hoop dat hij uit mijn subtiele blik, wenkbrauwen zo ver mogelijk naar beneden en mondhoeken omlaag, opmaakt dat ik het gedobber niet op prijs stel. Hij heeft het niet begrepen, het bootje komt terug en ik ga met mijn rug naar de sloot toe zitten.

De buurkinderen zijn alleen achtergelaten in de tuin en na steeds luider wordende “neehee’s” en “nouhou’s” is het bekvechten eindelijk begonnen. Mijn zuchten en kuchen wordt niet opgemerkt, ze zijn te druk bezig om hun arme buurvrouw in nood te horen. Ik vrees dat ik zelf in moet grijpen en vraag me af of ik dat wel kan maken. Na een paar minuten moed verzamelen, vind ik dat het kan.

“Jongens, hallo. Kunnen jullie misschien even rustig doen?”, vraag ik. Even is het stil, dan begint er eentje te brullen. Huilend loopt ze naar binnen en de schrik slaat me om het hart. Ik ben er één, schiet het door mijn hoofd. Ik had niet gedacht dat het ooit zover zou komen maar ik ben dus zo’n boze buurvrouw. Een beetje bang voor mijn eigen boze buurvrouw ga ik snel naar binnen.

Uit het vriesvak haal ik een pizza en ik zet de oven aan. In de tuin waggelen twee eenden, mijn mooie Akelei vertrappend, doelbewust naar het kleine vijvertje. Het wordt tijd voor een borrel. Wanneer ik de Baileys in het glas schenk beginnen de ijsblokjes krakend te protesteren. De kookwekker laat weten dat de pizza klaar is. Voorzichtig sluip ik naar buiten en de eenden vliegen kwakend weg. Ik ga zitten en neem een hap van de pizza. Een rookwolkje komt aarzelend over de schutting heen. Wat minder aarzelend volgt het tweede wolkje en al snel heb ik door dat er iemand aan het bbq’en is. De pizza en Baileys worden verder binnen genuttigd terwijl ik de reisfolders doorblader.

’s Avonds zit ik hartelijk te lachen om een aflevering van ‘Dit was het nieuws’ als er wordt aangebeld. De buurkinderen staan in pyama op de stoep, allebei een duim in de mond en een beer onder de arm geklemd. Of het misschien ook wat rustiger kan.

Copyright by Appelig©

… en dat is 100!

Ineens zag ik het … dit is mijn 100ste (honderdste) blogpost. Wat een feest!

Eigenlijk had ik hier een doodgewone blogpost van willen maken, maar nu ik weet dat het de honderste is kan dat niet meer. Ik kijk daarom even terug naar hoe het allemaal begon. Dat hoort wel bij een honderste blogpost vind ik, zeker als ie ook nog aan het eind van jaar komt.

Hoe het begon
Op 28 mei van dit jaar begon ik met bloggen. Wat er nu komt klinkt misschien wat vreemd, na het zien van de film Julie & Julia wilde ik ook een blog. Het leek me leuk omdat ik graag schrijf, maar waar moest dat blog nou over gaan? Het duurde nog wel even voor ik dat wist.

Nadat ik een workshop boetseren had gevolgd viel alles op z’n plek. Ik was zo enthousiast over het werken met klei (ik bleek er gelukkig aanleg voor te hebben), dat ik besloot mijn eerste stapjes op boetseergebied te delen via mijn blog. 

Mijn eerste volgers
Na mijn eerste blogpost viel ik iedereen die het maar wilde horen en ook iedereen die het niet wilde horen lastig met mijn blog. Een aantal collega’s, vrienden en familieleden reageerden enthousiast en zij hebben me vanaf mijn eerste tot aan mijn honderdste blog gevolgd. Ik ben jullie daar erg dankbaar voor (snif, snotter, snik). 😉

Nadat ik ruim drie maanden lekker aan het bloggen was voor vrienden en bekenden kwam daar ineens een reactie op mijn blogpost van iemand die ik niet kende. Wat krijgen we nou, dacht ik, wie is die Deborah Hamar? Deborah bleek zelf ook een blog te hebben en in blogland is het heel normaal om een reactie te geven op andermans blog. Sterker nog, het is zelfs erg gewenst. Er ging een wereld voor me open. Ik ‘moest’ nu ineens ook andere blogs lezen en dat bleek reuzeleuk en interessant te zijn en het leverde ook nog eens nieuwe lezers op. Inmiddels lijkt het alsof je af en toe gezellig bij elkaar op visite gaat. 🙂

Jagen op appeltjes en boetseren
Na wat leuke reacties op het verstoppen van een schat besloot ik begin november de jacht op de appeltjes te openen. In diverse steden verstopte ik appeltjes die tot mijn blijdschap en verbazing ook nog gevonden werden. Leuk!

Ook mijn boetseerwerk nam een vlucht. Het is bijna net zo verslavend als bloggen, zeker na de leuke reacties op mijn vrouwtjes. Als ik eenmaal een idee in mijn kop heb, wil ik het maken en ik rust niet voordat het af is. Ik breng daardoor veel avonden op mijn kamertje door, terwijl vriendlief op de bank zit te verpieteren. Hoewel het op voetbalavonden voor ons allebei een uitkomst is.

Tot slot
Kortom ik ben heel blij dat ik dit jaar met boetseren en bloggen ben begonnen en ik vind het geweldig dat jullie me daarin (af en toe) willen volgen.

Ik wens jullie een gelukkig en creatief 2012 toe in goede gezondheid!

Een Kerstverhaal (3)

Vervolg van ‘Een Kerstverhaal (2)’.

De Kerstman zit nog altijd met de armen over zijn buik geduldig te wachten. Hij kijkt me met lodderige ogen aan.
“Gaat het een beetje?”, vraag ik. Hij glimlacht even maar zegt niets. Ik ben bang dat hij zo zal instorten. In de keuken maak ik een handdoek vochtig. Ik veeg het bloed van zijn voorhoofd en dep ook de zilvergrijze haren, waarvan ik in eerste instantie dacht dat het een pruik was. Ik volg het bloedspoor en kom op zijn achterhoofd terecht waar een gat zit.
“Ik bel de dokter wel even of misschien kunnen we beter meteen naar het ziekenhuis.”
“Nee, da..dat is niet nodig”, stamelt de Kerstman. Hij voelt nog eens aan zijn hoofd en kijkt me verschrikt aan.
“Kan ik iemand waarschuwen? Iemand bij de opvang ofzo?”, probeer ik voorzichtig. Ik zou graag de verantwoording over deze hulpkerstman overdragen, maar hij schudt zijn hoofd.
“Wilt u dan misschien iets drinken?”, vraag ik.
“Graag”, zegt hij meteen. Eindelijk krijg ik een duidelijk antwoord.

Bron: weheartit.com

Met een mok dampende chocolademelk met slagroom en een scheut rum zitten we tegenover elkaar. Hij op de bank en ik op het vloerkleed met mijn rug tegen de verwarming. Langzaam roert de Kerstman in de mok en neemt dan voorzichtig een slokje. Hij sluit even zijn ogen.
“Wat is er eigenlijk gebeurd?”, vraag ik. “Waarom lag u bij mij voor de deur?”
De Kerstman roert nog wat harder in zijn mok waarbij het lepeltje irritant tegen het aardewerk tikt. Gespannen wacht ik op het antwoord.
“Heb je er misschien iets te eten bij?”, vraagt de Kerstman. Het lijkt alsof hij mijn vraag niet gehoord heeft. Hij neemt een tweede slok en likt de slagroom uit zijn snor. Zuchtend sta ik op.
“Een kerstkransje dan maar?” opper ik.
“Of een boterham?”, reageert hij. “Ja, sorry ik heb al een tijdje niet gegeten.”
In de keuken smeer ik een boterham en vraag me af of ik hem straks alweer de straat op kan sturen.

“Lekker hoor”, zegt hij even later met volle mond. Voor het eerst zie ik een glimlach op zijn gezicht. De glimlach veroorzaakt een domino-effect van kleine rimpeltjes over zijn hele gezicht. Te beginnen bij zijn mondhoeken tot aan de haarinzet.
“Hoe komt u nou aan dat gat in uw hoofd?”, probeer ik opnieuw.
De Kerstman zucht. “Ik kan je vertellen dat het voelt alsof ik van het dak gevallen ben. Alles is bont en blauw.”
“Van het dak?”, vraag ik.
Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en lijkt na te denken. “Eerlijk gezegd weet ik niet precies wat er gebeurd is. Ik lag ineens op de stoep. Toen heb ik me tree voor tree naar boven gehesen tot ik voor de deur lag.”
Het klinkt niet erg aannemelijk, maar meer wil hij duidelijk niet kwijt.
“Zal ik een poging wagen uw hoofd te verbinden?”, vraag ik.
“Je mag er ook gewoon een pleister opplakken”, mompelt hij. “Dan ga ik zo maar weer eens naar buiten. Ik ben al veel te lang gebleven en je moet je Kerstboom nog opzetten.”
Ik kijk naar de Kerstboom. Alle sneeuw is inmiddels van de takken op de grond gedrupt.
“O, dat kan morgen ook nog”, werp ik tegen.
“Maar het is Kerstavond”, sputtert hij. “Als je morgen de boom opzet is het te laat.”
Ik haal mijn schouders op. “Vorig jaar had ik helemaal geen boom”, zeg ik.
“Echt niet?” Hij lijkt geschrokken. “Je zou toch de mooiste Kerstboom moeten hebben die er bestaat.”
Ik glimlach naar hem en sta op om de verbanddoos te halen.
Als ik terugkom, heeft de Kerstman zijn ogen dicht, hij ademt zwaar. Ik trek me terug in de slaapkamer.

Bron: weheartit.com

Die nacht droom ik over een Kerstman die met slee en al van het dak afvalt en bij mij voor de deur terechtkomt. Ik schrik wakker, het gestommel op het dak is niet gedroomd. Ik hou mijn adem in en luister.
“Ho ho hooo!” Hoor ik ineens iemand buiten roepen en er rinkelen wat belletjes. Meteen houdt het gestommel op. Ik spring uit bed en steek mijn hoofd om de deur van de woonkamer. Er ligt niemand meer op de bank, de Kerstman is verdwenen. In de hoek van de kamer staat mijn Kerstboom te schitteren met een warme sjaal van witte slingers. Ademloos kijk ik naar de honderden kleine lampjes die stralen. Zilveren kerstballen pronken met hun pracht, net als een paar witte kerstengeltjes en rode kerstklokjes.
Het is de mooiste Kerstboom die ik ooit heb gezien.

THE END

Copyright by Appelig©

Ik wens jullie hele fijne Kerstdagen!

Een kilo inspiratie graag

Toen ik aan mijn uitdaging, om 50.000 woorden in 30 dagen te schrijven, begon, wist ik al dat ik er eigenlijk te weinig tijd voor had. In 135 uur schrijf je (normaal gesproken) nou eenmaal geen roman. Verder was ik even vergeten dat je om te schrijven, behalve een pen of computer, ook wat inspiratie nodig hebt.

In de afgelopen jaren ben ik aan aardig wat verhalen en (kinder)boeken begonnen. Maar het ontbrak me aan doorzettingsvermogen, inspiratie of tijd om ze ook echt af te maken. Liever begon ik aan een nieuw verhaal omdat een leuk idee zich aan me opdrong. Het is dus de bedoeling dat ik deze maand wat van deze verhalen af ga schrijven.

Zo opende ik op 1 november vol goede moed diverse bestanden met wachtende verhalen en las ze door. Een aantal mensen wil graag dat ik ‘De rode trottelnek’ af ga maken en daar wilde ik aan beginnen. Het wilde echter niet vlotten en na een stuk of tien regels doelloos schrijven gaf ik het op. Ik ging door naar het volgende verhaal waarin kinderen voor straf in een mand onder de brug gehangen worden. Als het gaat schemeren worden ze weer naar binnen gehaald … meestal tenminste. 😉 Ook hier raakte ik in de problemen. Vele uren verstreken waarin ik niet schreef en alleen maar nadacht over het verhaal. Ik vluchtte naar weer een volgende.

Dit verhaal speelt zich af in de kou. Die schitterende nazomer en warme herfst vind ik echt geweldig, maar om er goed in te komen zou een beetje kou (een sneeuwbuitje bijvoorbeeld) wel erg gewenst zijn. Tijdens het lezen van het verhaal sprongen er eindelijk wat vonkjes door mijn brein en al snel was de batterij van mijn fantasie opgeladen. Pfff gelukkig, ik kon beginnen.

50.000 woorden in 30 dagen

Op het blog van Nicole las ik vorige maand over NaNoWriMo (National Novel Writing Month). Oftewel een poging om in één maand tijd een roman te schrijven. NaNoWriMo start op 1 november (vandaag dus) en eindigt op 30 november middernacht. Je moet dan minimaal 50.000 woorden geschreven hebben.

Het idee om hieraan mee te doen heb ik een tijdje laten bezinken. Al snel dacht ik, dat krijg ik dus nooit voor elkaar. Van de 720 uren die er in de maand november zitten, kan ik er hooguit 135 vrij maken om te schrijven. Het zou betekenen dat ik 1.667 woorden per dag zou moeten schrijven. Ja hallo, ik heb ook nog een baan (keramiekcursus, Nordic Walking training en een weekendje weg).

Toch heb ik besloten om mee te doen. Niet om aan een roman te schrijven, maar om al die verhalen die ik heb liggen nou eens af te schrijven. Het wordt vooral typen, typen, typen. Voor herzien en herschrijven is geen tijd! Wellicht is er nog een NaNoEdMo (National Novel Editing Month) van 1 tot en met 31 december. Dan kan ik tijdens de kerstdagen gezellig mijn tekstjes herschrijven.

Wat als ik de 50.000 woorden niet haal? Helemaal niet erg, als het er 40.000 of 25.000 zijn ben ik ook heel tevreden, als die verhalen maar een keertje afgemaakt worden. Alle korte en lange verhaaltjes die ik de komende maand produceer (en die ik niet voor mijn werk schrijf) tellen mee. Boodschappenlijstjes en to-do-lijstjes tel ik niet mee. 😉

Als ik de komende maand dus wat slaperig uit mijn ogen kijk, ben ik waarschijnlijk tot ’s avonds laat bezig geweest met schrijven. Wanneer ik niet in ga op een leuke uitnodiging, don’t take it personal, dan ben ik aan het schrijven. Als ik iets te lang blijf staan voor het groene verkeerslicht …, als je zelf je eten klaar moet maken en de boodschappen moet doen … nou ja je snapt het wel. Wish me luck!

Hoe is het nou met je boek? (Deel 2)

… Vervolg

Ik had het manuscript van mijn kinderboek dus opgestuurd naar mijn lerares ter beoordeling. Na een tijdje kreeg ik de 28 hoofdstukken terug met behoorlijk wat aantekeningen. Het idee voor het boek was goed en ook de personages waren geloofwaardig. Hiep hiep! Ik had alleen bepaalde onderdelen veel te veel aandacht gegeven en ook het einde kon volgens haar beter. Bovendien bleek dat er een probleem was met mijn plot of liever gezegd het ontbrak. Ik was zo lekker aan het schrijven gegaan dat ik heel dat plot uit het oog verloren was. Tja, en dan gaat je boek eigenlijk helemaal nergens over.

Het kwam er op neer dat ik het beste wat hoofdstukken kon schrappen, net als één van de uitvindingen die haar tijdens het lezen behoorlijk was gaan irriteren. Ook hadden de tweede en derde hoofdpersoon te snel hun intrede gedaan in het boek. Kortom, ik kon het beste het hele boek herzien. Het begin en eind herschrijven en er wat nieuwe hoofdstukken bij verzinnen.

Nou zul je misschien zeggen, “trek het je niet aan” of “het is een leuk boek, pas wat dingen aan en hup naar de uitgever ermee”. Het vervelende is alleen dat ik vond dat ze gelijk had. Ik had inmiddels wel een idee hoe ik dat herzien aan moest pakken, ik zag er alleen erg tegenop. Het herschrijven zou een berg werk met zich meebrengen en eerlijk gezegd had ik er niet zo’n zin meer in.

Je moet het zo zien. Ik heb een verhaaltje verzonnen, ik heb het opgeschreven en dan is het uit mijn hoofd. Nu dat op papier staat is het voor mij klaar en wil ik aan een nieuw verhaal beginnen. Sterker nog, het nieuwe verhaal heeft zich al aan me opgedrongen. Het staat te popelen om opgeschreven te worden en nu moet ik eerst nog eindeloos schaven en sleutelen aan een verhaal dat ik niet interessant meer vind.

Inmiddels zijn we een paar jaar verder en het nagekeken manuscript ligt te wachten tot ik zin heb om ermee verder te gaan. Het verhaal dat zich aan me opdrong is heel kort in een paar A4tjes neergepend om het niet kwijt te raken. Een derde (kort) verhaal is bijna af. Hopelijk kan ik een keer lang genoeg van de klei afblijven om dat verhaal in ieder geval af te schrijven.  Ik geef het nog niet op!

Hoe is het nou met je boek? (Deel 1)

Het is de leukste vraag die je kunt krijgen als je met je boek bezig bent en als je de hoofdstukken zo uit je mouw kunt schudden. Maar het is de vervelendste vraag die je kunt krijgen als je boek niet wil vlotten.

Behalve aan een aantal kinderen had ik de proefleesversie ook aan een paar collega’s en vrienden gegeven. Een select groepje natuurlijk, het mochten er niet te veel worden. Iedereen reageerde enthousiast. Naast het vaste gegeven van 1200 woorden per hoofdstuk, zorgde ik er ook voor dat elk hoofdstuk eindigde met een cliffhanger. Dat werkte goed. Het was voor mij meteen duidelijk waar het volgende hoofdstuk over moest gaan en mijn proeflezers wilden meer, meer, meer!

Steeds meer vrienden en bekenden vroegen of ze het mochten lezen en ja, ik ben ook de beroerdste niet. Na elke paar vers geschreven hoofdstukken stond ik tientallen kopietjes te maken voor de meelezers. De hoofdstukken werden in hoog tempo geproduceerd en elke keer lukte het weer een spannend einde te verzinnen om de lezers tevreden te houden. Na 25 hoofdstukken begon men te vragen hoe dik het boek ging worden en hoeveel hoofdstukken er zouden volgen. Ik had altijd aangegeven bij 28 hoofdstukken te willen stoppen, maar eh … hoe rond je je boek eigenlijk af?

In de laatste drie hoofdstukken moest ik al die spannende gebeurtenissen oplossen en de gemaakte beloftes inlossen. Het was een onmogelijke taak. Ik heb geprobeerd het boek toch af te schrijven en dat is gelukt hoewel ik er niet tevreden over was (en mijn lezers waren ook ietwat neutraal over de afloop). Ik stuurde het boek op naar mijn vroegere lerares van de cursus in Rotterdam na haar commentaar hoopte ik weer verder te kunnen met het boek. Ondertussen kon ik het kinderboek eventjes laten rusten.

Wordt vervolgd …

Een kinderboek schrijven

Na de cursus Kinderverhalen schrijven besloot ik een kinderboek te schrijven. Ik had wel een idee waar het over moest gaan en ik verzon een paar hoofdpersonen om mee te starten. In het eerste hoofdstuk voerde ik Thomas op, een jongen die met zijn ouders en zusje was verhuisd van de stad naar het platteland. In het tweede hoofdstuk ontmoet hij buurjongen Daan. Wanneer ze vervolgens in het derde hoofdstuk ontdekken dat er ’s avonds licht brandt in het tuinhuisje kan het avontuur beginnen, ook voor mij!

Na een paar hoofdstukken begon het moeilijk te worden het schrijven vol te houden. Gelukkig was daar de nieuwe cursus Kinderboek schrijven. Tijdens de lessen laat je aan één of meerdere personen je nieuwe hoofdstuk(ken) horen en je krijgt er commentaar op. Je maakt een tijdlijn om in kaart te brengen wat er met wie gebeurt in het verhaal. Aan het eind van de cursus was mijn boek niet af, maar het heeft me wel een eind op weg geholpen.

Ik begon af en toe een middag vrij te nemen om verder te kunnen schrijven en ik produceerde in een snel tempo nieuwe hoofdstukken. Het ging ineens heel makkelijk. Ik liet een van de hoofdpersonen iets zeggen en als vanzelf reageerden de andere hoofdpersonen daarop. Om die dialogen heen lijmde ik de tekst aan elkaar totdat ik circa 1200 woorden had en dan werd het tijd voor een nieuw hoofdstuk.

Nadat ik 12 hoofdstukken had geschreven, wilde ik eigenlijk wel eens weten wat men ervan vond. Met men bedoel ik in dit geval mijn doelgroep. Ik gokte op kinderen tussen de 8 en 11 jaar. Mijn proefleesversie verspreidde ik onder de kinderen van collega’s en vrienden. Ongeveer de helft heeft het daadwerkelijk gelezen en een aantal daarvan gaf feedback. De kids vonden het grappig en spannend. Van een aantal ouders hoorde ik dat ze het niet meer weg wilden leggen. Dat wil je natuurlijk graag horen als schrijfster.

Waarom is het boek dan nog niet af? Waarom ligt het nog niet in de winkel? In een volgend blogartikel vertel ik over het verdere verloop van het kinderboek.