Mijn wraak zal bitter zijn

Ik sta erom bekend temperamentvol te zijn. Dat is natuurlijk gewoon een charmante bewoording voor het hebben van een kort lontje. Als ik gelijk heb en ik krijg het niet, zou ik mijn schouders op kunnen halen, maar dat doe ik niet. Ik ga tot het uiterste om mijn gelijk te bewijzen, al is het drie jaar later.

Iemand die mij geen voorrang verleent en vervolgens met zijn hoofd schudt alsof ik degene ben die fout is krijgt een partij scheldwoorden naar en een denkbeeldige stoot voor z’n hoofd. Vervolgens ben ik uren daarna nog bezig deze persoon uit te foeteren en anderen uit te leggen wat me nu weer is overkomen.

Rolodex van het kwaad 
Wanneer het onrecht niet mijzelf betreft maar iemand die ik heel graag mag, dan kunnen bij mij zomaar de stoppen doorslaan. Het zien van veel detectives helpt dan ook niet. Als in een rolodex van het kwaad schieten de mogelijkheden om wraak te nemen voorbij. Te beginnen bij het simpelweg neerschieten met een pistool, via het minder bloederige vergiftigen naar een ontvoering, die natuurlijk al snel veel te lastig blijkt. Als ik wat gekalmeerd ben komen het houden van een brandende lucifer onder een broekspijp of stropdas aan de orde, het lek steken van banden en tenslotte het weigeren van het verkopen van een eigen kunstwerk aan deze personen (dat zal ze leren!).

Hoewel het best grappig is dit soort wraakacties te verzinnen, lucht het zelden op. Ik kan me ook niet voorstellen dat het daadwerkelijk uitvoeren van deze acties een goed of zoet gevoel met zich meebrengt. Het zal je eerder verdrietig maken en het zal een wat bittere nasmaak hebben.

Beter kun je het van je schouders af laten glijden en hopen dat diegene wat slechter slaapt of anders in het hiernamaals flink op zijn sodemieter krijgt. In het meest gunstige geval kun je er een spannende thriller over schrijven waarmee je met de snoodaard kunt doen wat je wilt en er ook nog geld aan verdient.

Mindfulness- en relaxtips in crisissituaties zijn welkom. ūüôā

Verhaal: In de tuin

Het is zaterdagochtend en de zon schijnt. Met een broodje en een kopje thee loop ik naar buiten. Ik zet een stoel in de zon, haal wat kussens en een boek. Tevreden ga ik zitten en roer in mijn thee. Eindelijk lijkt de zomer dan toch aan te breken. Voorzichtig ben ik begonnen de afgelopen avonden buiten te eten. Eerst even een half uurtje uitblazen na een werkdag, dan het eten klaar maken. Een placemat op de tafel, bord en bestek mee en als ik dan eindelijk zit is de zon weg. Natuurlijk is het dan te koud om te blijven zitten en ik neem alles weer mee naar binnen om daar grommend toe te zien hoe mijn tuinstoelen alweer baden in het zonlicht.

Nu is het dan zover, uit in eigen tuin. Het boek laat ik nog even liggen, eerst geniet ik van het feit dat ik het onkruid er vorige week al uitgehaald heb. Dan geniet ik van de rust, de fluitende vogeltjes, de piepende jonge meerkoetjes en kwakende eenden in het slootje dat aan mijn tuin grenst. Via een luid gesnuif laten de zwanen weten dat ze best een stukje brood zouden lusten, maar dat gaan ze dan zelf maar zoeken.
Een paar meerkoeten rennen over het water wat eenden achterna en ik hoor een hoop gespat. Tussen het bamboe door zie ik een rubberbootje dobberen met een jochie er in. Het puntje van zijn tong steekt uit zijn mond terwijl hij probeert de boot recht te houden. Hij vaart natuurlijk tegen mijn steiger aan en draait vervolgens stuurloos enkele rondjes voor hij de rest van de sloot onveilig maakt.

Ik sla het boek open en begin te lezen. Bij de buren gaat de deur open.
‚ÄúPapa gaan we buiten zitten? Papa kijk nou, de zon‚ÄĚ, hoor ik mijn buurmeisje zeggen. Eerst moet ze de bloemetjes water geven en ik hoor de buurman lachen omdat ze een plastic plant ook water geeft. De deur gaat dicht en het wordt weer rustig.
Niet lang natuurlijk. Het rubberbootje komt terug met twee jochies er in die joelend en vervaarlijk zwaaiend met peddels langs dobberen. Ik denk na over een systeem om tol te heffen zonder al te lullig over te komen. Dan dwing ik mezelf ontzettend blij te zijn dat het geen rondvaartboot is die een paar keer per dag langskomt, wat maar matig lukt. Vervolgens probeer ik aan al die minderbedeelden te denken die helemaal geen tuin tot hun beschikking hebben en als ook dat niet lukt herinner ik me ineens hoe zielig ik mezelf vond toen ik nog in de flat woonde. Zo dat werkt, ik ben weer tevreden.

Inmiddels zitten de buren gezellig buiten. De buurman zit te vissen en ik vermoed dat de buurvrouw een boekje leest. De kids zijn aan het spelen maar dat duurt meestal niet lang.¬†Mijn buurmeisje begint¬†te zingen: ‚ÄúHocus Pocus, iedereen kan toveren ‚Ķ hm, hm, hm. Hocus Pocus, iedereen kan toveren ‚Ķ hm, hm, hm.‚ÄĚ Ze herhaalt het nog een paar keer en ik hoop dat haar moeder het net zo zat begint te worden als ik. Helaas, ook de buurvrouw denkt dat iedereen kan toveren en ze zingt mee. Krampachtig lees ik verder. Het helpt ook niet wanneer ze voorstelt de kinderen voor te lezen.

Weer komt het rubberbootje langs met ditmaal een jochie en een volwassen vent er in. Met open mond kijk ik het bootje na en met open mond kijkt de man terug. Ik herstel me en hoop dat hij uit mijn subtiele blik, wenkbrauwen zo ver mogelijk naar beneden en mondhoeken omlaag, opmaakt dat ik het gedobber niet op prijs stel. Hij heeft het niet begrepen, het bootje komt terug en ik ga met mijn rug naar de sloot toe zitten.

De buurkinderen¬†zijn alleen achtergelaten in de tuin en na steeds luider wordende ‚Äúneehee‚Äôs‚ÄĚ en ‚Äúnouhou‚Äôs‚ÄĚ is het bekvechten eindelijk begonnen. Mijn zuchten en kuchen wordt niet opgemerkt, ze zijn te druk bezig om hun arme buurvrouw in nood te horen. Ik vrees dat ik zelf in moet grijpen en vraag me af of ik dat wel kan maken. Na een paar minuten moed verzamelen, vind ik dat het kan.

‚ÄúJongens, hallo. Kunnen jullie misschien even rustig doen?‚ÄĚ, vraag ik. Even is het stil, dan begint¬†er eentje¬†te brullen. Huilend loopt ze naar binnen en de schrik slaat me om het hart. Ik ben er √©√©n, schiet het door mijn hoofd. Ik had niet gedacht dat het ooit zover zou komen maar ik ben dus zo‚Äôn boze buurvrouw. Een beetje bang voor mijn eigen boze buurvrouw ga ik snel naar binnen.

Uit het vriesvak haal ik een pizza en ik zet de oven aan. In de tuin waggelen twee eenden, mijn mooie Akelei vertrappend, doelbewust naar het kleine vijvertje. Het wordt tijd voor een borrel. Wanneer ik de Baileys in het glas schenk beginnen de ijsblokjes krakend te protesteren. De kookwekker laat weten dat de pizza klaar is. Voorzichtig sluip ik naar buiten en de eenden vliegen kwakend weg. Ik ga zitten en neem een hap van de pizza. Een rookwolkje komt aarzelend over de schutting heen. Wat minder aarzelend volgt het tweede wolkje en al snel heb ik door dat er iemand aan het bbq’en is. De pizza en Baileys worden verder binnen genuttigd terwijl ik de reisfolders doorblader.

‚Äôs Avonds zit ik hartelijk te lachen om een aflevering van ‚ÄėDit was het nieuws‚Äô als er wordt aangebeld. De buurkinderen staan in pyama op de stoep, allebei een duim in de mond en een beer onder de arm geklemd. Of het misschien ook wat rustiger kan.

Copyright by Appelig©

Een kilo inspiratie graag

Toen ik aan mijn uitdaging, om 50.000 woorden in 30 dagen te schrijven, begon, wist ik al dat ik er eigenlijk te weinig tijd voor had. In 135 uur schrijf je (normaal gesproken) nou eenmaal geen roman. Verder was ik even vergeten dat je om te schrijven, behalve een pen of computer, ook wat inspiratie nodig hebt.

In de afgelopen jaren ben ik aan aardig wat verhalen en (kinder)boeken begonnen. Maar het ontbrak me aan doorzettingsvermogen, inspiratie of tijd om ze ook echt af te maken. Liever begon ik aan een nieuw verhaal omdat een leuk idee zich aan me opdrong. Het is dus de bedoeling dat ik deze maand wat van deze verhalen af ga schrijven.

Zo opende ik op 1 november vol goede moed diverse bestanden met wachtende verhalen en las ze door. Een aantal mensen wil graag dat ik ‘De rode trottelnek’ af ga maken en daar wilde ik aan beginnen. Het wilde echter niet vlotten en na een stuk of tien regels doelloos schrijven gaf ik het op. Ik ging door naar het volgende verhaal waarin kinderen voor straf in een mand onder de brug gehangen worden. Als het gaat schemeren worden ze weer naar binnen gehaald … meestal tenminste. ūüėȬ†Ook hier raakte ik in de problemen. Vele uren verstreken waarin ik niet schreef en alleen maar nadacht over het verhaal. Ik vluchtte naar weer¬†een volgende.

Dit verhaal speelt zich af in de kou. Die schitterende nazomer en warme herfst vind ik echt geweldig, maar om er goed in te komen zou een beetje kou (een sneeuwbuitje bijvoorbeeld) wel erg gewenst zijn. Tijdens het lezen van het verhaal sprongen er eindelijk wat vonkjes door mijn brein en al snel was de batterij van mijn fantasie opgeladen. Pfff gelukkig, ik kon beginnen.

50.000 woorden in 30 dagen

Op het blog van Nicole las ik vorige maand over NaNoWriMo (National Novel Writing Month). Oftewel een poging om in één maand tijd een roman te schrijven. NaNoWriMo start op 1 november (vandaag dus) en eindigt op 30 november middernacht. Je moet dan minimaal 50.000 woorden geschreven hebben.

Het idee om hieraan mee te doen heb ik een tijdje laten bezinken. Al snel dacht ik, dat krijg ik dus nooit voor elkaar. Van de 720 uren die er in de maand november zitten, kan ik er hooguit 135 vrij maken om te schrijven. Het zou betekenen dat ik 1.667 woorden per dag zou moeten schrijven. Ja hallo, ik heb ook nog een baan (keramiekcursus, Nordic Walking training en een weekendje weg).

Toch heb ik besloten om mee te doen. Niet om aan een roman te schrijven, maar om al die verhalen die ik heb liggen nou eens af te schrijven. Het wordt vooral typen, typen, typen. Voor herzien en herschrijven is geen tijd! Wellicht is er nog een NaNoEdMo (National Novel Editing Month) van 1 tot en met 31 december. Dan kan ik tijdens de kerstdagen gezellig mijn tekstjes herschrijven.

Wat als ik de 50.000 woorden niet haal? Helemaal niet erg, als het er 40.000 of 25.000 zijn ben ik ook heel tevreden, als die verhalen maar een keertje afgemaakt worden. Alle korte en lange verhaaltjes die ik de komende maand produceer (en die ik niet voor mijn werk schrijf) tellen mee. Boodschappenlijstjes en¬†to-do-lijstjes¬†tel ik niet mee. ūüėČ

Als ik de komende maand dus wat slaperig uit mijn ogen kijk, ben ik waarschijnlijk tot ’s avonds¬†laat bezig geweest met schrijven. Wanneer ik niet in ga op een leuke uitnodiging, don’t take it personal, dan ben ik aan het schrijven. Als ik iets te lang blijf staan voor het groene verkeerslicht …, als je zelf je eten klaar moet maken en de boodschappen moet doen … nou ja je snapt het wel. Wish me luck!

Hoe is het nou met je boek? (Deel 2)

… Vervolg

Ik had het manuscript van mijn kinderboek dus opgestuurd naar mijn lerares ter beoordeling. Na een tijdje kreeg ik de 28 hoofdstukken terug met behoorlijk wat aantekeningen. Het idee voor het boek was goed en ook de personages waren geloofwaardig. Hiep hiep! Ik had alleen bepaalde onderdelen veel te veel aandacht gegeven en ook het einde kon volgens haar beter. Bovendien bleek dat er een probleem was met mijn plot of liever gezegd het ontbrak. Ik was zo lekker aan het schrijven gegaan dat ik heel dat plot uit het oog verloren was. Tja, en dan gaat je boek eigenlijk helemaal nergens over.

Het kwam er op neer dat ik het beste wat hoofdstukken kon schrappen, net als één van de uitvindingen die haar tijdens het lezen behoorlijk was gaan irriteren. Ook hadden de tweede en derde hoofdpersoon te snel hun intrede gedaan in het boek. Kortom, ik kon het beste het hele boek herzien. Het begin en eind herschrijven en er wat nieuwe hoofdstukken bij verzinnen.

Nou zul je misschien zeggen, “trek het je niet aan” of¬†“het is een leuk boek, pas wat dingen aan en hup naar de uitgever ermee”. Het vervelende is alleen¬†dat ik vond dat ze gelijk had. Ik had inmiddels wel een idee hoe ik dat herzien aan moest pakken, ik zag er alleen erg tegenop.¬†Het herschrijven zou een¬†berg werk met zich meebrengen en eerlijk gezegd had ik er niet zo’n zin meer¬†in.

Je moet het zo zien. Ik heb een verhaaltje verzonnen, ik heb het opgeschreven en dan is het uit mijn hoofd. Nu dat op papier staat is het voor mij klaar en wil ik aan een nieuw verhaal beginnen. Sterker nog, het nieuwe verhaal heeft zich al aan me opgedrongen. Het staat te popelen om opgeschreven te worden en nu moet ik eerst nog eindeloos schaven en sleutelen aan een verhaal dat ik niet interessant meer vind.

Inmiddels zijn we een paar jaar verder en het nagekeken manuscript ligt te wachten tot ik zin heb om ermee verder te gaan. Het verhaal dat zich aan me opdrong is heel kort in een paar A4tjes neergepend om het niet kwijt te raken. Een derde (kort) verhaal is bijna af. Hopelijk kan ik een keer lang genoeg van de klei afblijven om dat verhaal in ieder geval af te schrijven.  Ik geef het nog niet op!

Hoe is het nou met je boek? (Deel 1)

Het is de leukste vraag die je kunt krijgen als je met je boek bezig bent en als je de hoofdstukken zo uit je mouw kunt schudden. Maar het is de vervelendste vraag die je kunt krijgen als je boek niet wil vlotten.

Behalve aan een aantal kinderen had ik de proefleesversie ook aan een paar collega’s en vrienden gegeven. Een select groepje natuurlijk, het mochten er niet te veel worden. Iedereen reageerde enthousiast.¬†Naast het vaste gegeven van 1200 woorden per hoofdstuk, zorgde ik er ook voor dat elk hoofdstuk eindigde met een cliffhanger. Dat werkte goed. Het was voor mij¬†meteen duidelijk waar het volgende hoofdstuk over moest gaan en mijn proeflezers wilden meer, meer, meer!

Steeds meer¬†vrienden en bekenden vroegen of ze het mochten lezen en ja, ik ben ook de beroerdste niet. Na elke paar vers geschreven hoofdstukken stond ik tientallen kopietjes te maken voor de meelezers. De hoofdstukken werden in hoog tempo geproduceerd en elke keer lukte het weer een spannend einde te verzinnen om de lezers tevreden te houden. Na 25 hoofdstukken begon men te vragen hoe dik het boek ging worden en hoeveel hoofdstukken er zouden volgen. Ik had altijd aangegeven bij 28 hoofdstukken te willen stoppen, maar eh … hoe rond je je boek eigenlijk af?

In de laatste drie hoofdstukken moest ik al die spannende gebeurtenissen oplossen en de gemaakte beloftes inlossen. Het was een onmogelijke taak. Ik heb geprobeerd het boek toch af te schrijven en dat is gelukt hoewel ik er niet tevreden over was (en mijn lezers waren ook ietwat neutraal over de afloop). Ik stuurde het boek op naar mijn vroegere lerares van de cursus in Rotterdam na haar commentaar hoopte ik weer verder te kunnen met het boek. Ondertussen kon ik het kinderboek eventjes laten rusten.

Wordt vervolgd …

Een kinderboek schrijven

Na de cursus Kinderverhalen schrijven besloot ik een kinderboek te schrijven. Ik had wel een idee waar het over moest gaan en ik verzon een paar hoofdpersonen om mee te starten. In het eerste hoofdstuk voerde ik Thomas op, een jongen die met zijn ouders en zusje was verhuisd van de stad naar het platteland. In het tweede hoofdstuk ontmoet hij buurjongen Daan. Wanneer ze vervolgens in het derde hoofdstuk ontdekken dat er ’s avonds licht brandt in het tuinhuisje kan het avontuur beginnen, ook voor mij!

Na een paar hoofdstukken begon het moeilijk te worden het schrijven vol te houden. Gelukkig was daar de nieuwe cursus Kinderboek schrijven. Tijdens de lessen laat je aan één of meerdere personen je nieuwe hoofdstuk(ken) horen en je krijgt er commentaar op. Je maakt een tijdlijn om in kaart te brengen wat er met wie gebeurt in het verhaal. Aan het eind van de cursus was mijn boek niet af, maar het heeft me wel een eind op weg geholpen.

Ik begon af en toe een middag vrij te nemen om verder te kunnen schrijven en ik produceerde in een snel tempo nieuwe hoofdstukken. Het ging ineens heel makkelijk. Ik liet een van de hoofdpersonen iets zeggen en als vanzelf reageerden de andere hoofdpersonen daarop. Om die dialogen heen lijmde ik de tekst aan elkaar totdat ik circa 1200 woorden had en dan werd het tijd voor een nieuw hoofdstuk.

Nadat ik 12 hoofdstukken had geschreven, wilde ik eigenlijk wel eens¬†weten wat men ervan vond. Met men bedoel ik in dit geval mijn doelgroep. Ik gokte op kinderen tussen de 8¬†en 11 jaar. Mijn proefleesversie verspreidde ik onder de kinderen van collega’s en vrienden. Ongeveer de helft heeft het daadwerkelijk gelezen en een aantal daarvan gaf feedback. De kids vonden het grappig en spannend. Van een aantal ouders hoorde ik dat ze het niet meer weg wilden leggen. Dat wil je natuurlijk¬†graag horen als schrijfster.

Waarom is het boek dan nog niet af? Waarom ligt het nog niet in de winkel? In een volgend blogartikel vertel ik over het verdere verloop van het kinderboek.

Niet zonder knuffelbeest

Tijdens de cursus Kinderverhalen schrijven kregen we inspirerende opdrachten. De eerste opdracht schreef ik vanuit een knuffelbeest. Niet zomaar een knuffelbeest, maar MIJN knuffelbeest. Ik ga er voor het gemak vanuit dat iedereen vroeger wel een knuffelbeest heeft gehad. Ik heb jarenlang een grote wollen hond in bed gehad die toen ik hem verliet, door het fijnknuffelen twee keer zo dun was geworden.
Ik moet echter iets bekennen … ik heb nog steeds een knuffelbeest. Wel een kleintje hoor, eentje die niet zoveel ruimte inneemt in je koffer als je op vakantie gaat en die makkelijk in een la te stoppen is als de werkster langskomt.

Goed, ik schreef een verhaal vanuit mijn knuffelvis Wotje. Hoe zijn ervaringen met mijn vriend waren. Die vond het af en toe leuk om te shockeren. Dan kwam ik beneden om te eten, lag Wotje op mijn bord met een vork en scherp mes ernaast (als sushi). Of hij hield hem (√° la Michael Jackson) uit het raam of over de rand van een balkon. Nee, Wotje heeft het beslist niet makkelijk als knuffel van een volwassene met een jaloerse vriend.

Verder observeerde Wotje¬†hoe ik eens in paniek door de kamer rende omdat de wekker niet was afgegaan en¬†ik een vliegtuig moest halen. Hij was bang dat ik hem zou vergeten, wat natuurlijk niet gebeurde. Op het laatste moment pakte ik hem bij zijn vin en propte hem in een rugzak. In de handbagage mocht hij mee het vliegtuig in. Bij het uitstappen in Malta wilde de douane weten wat ik allemaal in die rugzak had zitten. Na mijn slippers, en een boek kwam Wotje tevoorschijn. Argwanend bekeken de douaniers mijn knuffel en keken toen streng naar mij. Ik was als de dood dat ze ‘m open zouden snijden om te kijken of ik iets smokkelde. Ik grijnzde enigszins gegeneerd en zei¬†“I can’t live without it!”

Schrijfcursus: Kinderverhalen

Nadat ik op schrijfcursusgebied een aantal jaren had stilgelegen begon het toch weer te kriebelen. Natuurlijk schreef ik zo nu en dan voor mezelf een kort verhaaltje dat ik dan aan wat vrienden liet lezen. De discipline om te schrijven, die stok achter de deur, is volledig afwezig wanneer je niet per se elke week een stukje hoeft in te leveren. Je probeert nog met je zusje af te spreken om haar elke maand een verhaaltje te mailen, maar de groepsdruk van een klas vol mede-cursisten werkt veel beter.

Een vriend kwam op het idee om nu eens een andere schrijfrichting in te slaan. Niet de korte of lange verhalen voor volwassenen, maar verhalen voor kinderen. Hm, wat heb ik nou met kinderen dacht ik nog. Natuurlijk heb ik vroeger veel plezier beleefd aan het lezen van kinderboeken, ik kon er helemaal in opgaan. Ook aan mijn kindertijd bewaar ik goede herinneringen en door het schrijven voor kinderen haal je die tijd weer een beetje terug heb ik gemerkt. Bovendien is het grappige element dat ik altijd in mijn verhaaltjes probeer te persen misschien beter geschikt voor een kinderverhaal. Na een tijdje twijfelen schreef ik mij in voor de cursus Kinderverhalen bij het SKVR.

Zo’n¬†12 dames keken de eerste les verwachtingsvol naar de lerares, die vol overgave vertelde over het schrijven voor kinderen. Zelf schreef ‘de juf’ gedichten (sommige waren ook gepubliceerd)¬†en ze gaf les op school. Het niveau van de kinderboekenschrijfsters-in-spe was wisselend. Ik had er natuurlijk al een paar cursusjes opzitten en wat anderen hadden ook ervaring met schrijven. Er zaten echter ook dames bij die voor het eerst een schrijfpoging waagden. De opdrachten en besprekingen waren boeiend genoeg om het beste uit iedereen te halen. Bij alle deelnemers werden onvermoede inspiratiebronnen aangeboord en ook ik schudde zowaar wat kinderverhalen uit mijn mouw. Het ging me makkelijker af dan een verhaal voor volwassenen. Had ik dan toch mijn roeping gevonden?

De schrijfcursus: korte verhalen

In totaal heb ik vijf keer een schrijfcursus gevolgd bij het SKVR in Rotterdam. De eerste cursus was Korte verhalen voor beginners. Tijdens de eerste les kregen we een geur voorgeschoteld. De docent kwam langs met een doosje dampo (dat zag je niet dat rook je dus). Naar aanleiding van die geur moest je een A4tje volschrijven. Daarna kwam het enge, je moest je tekst voorlezen voor de groep en dan kwam er kritiek. De docent probeerde deze eerste les voorzichtig opbouwende kritiek te leveren. De medecursisten waren nog voorzichtiger en kwamen met opmerkingen als: “Ik vond het wel goed geschreven.” Laten we nou eerlijk zijn, aan zo’n opmerking heb je natuurlijk helemaal niks.

Een van de cursisten las zijn werk voor en het was te merken dat hij erg tevreden was over zijn eigen tekst. Nadat hij zijn tekst voorgelezen had keek hij met een zelfvoldane glimlach de klas rond. De docent gaf wat aanwijzingen hoe hij de tekst beter kon maken en de glimlach bevroor op het gezicht van de cursist. De volgende lessen was de jongen niet meer aanwezig, waarschijnlijk te druk het met publiceren van zijn boek :-).

Tijdens de eerste schrijfcursus heb ik veel geleerd. We kregen elke week een opdracht mee voor thuis waarin we werkten aan een dialoog of aan de opbouw of we leerden om een verhaal in één tijd te schrijven en niet te wisselen tussen voltooid verleden en tegenwoordige tijd. Ik gaf mezelf altijd nog een extra opdracht mee. Het verhaal moest aan het einde een overwachte wending hebben en het liefst een klein beetje grappig zijn. Pas als ik wist wat die wending was kon ik het hele verhaal schrijven.

De eerste cursus beviel mij en een aantal medecursisten zo goed dat we doorgingen met Korte verhalen voor gevorderden. De discussies kwamen nu wat meer op gang. Ik kan me herinneren dat een van de cursisten het had over de strakblauwe rok van de hoofdpersoon en dat de docent uitlegde dat strakblauw alleen voor de lucht kon worden gebruikt. Zoals je mag verwachten na wat schrijflessen werden de verhalen van alle cursisten steeds wat beter. Aan het eind van de cursus vonden we het jammer dat er niet nog een vervolg was. 

Nadat ik een half jaar cursusloos was geweest sprak ik met 2 oud-cursisten af om naar de open dag van de SKVR te gaan om naar een vervolgcursus te zoeken. Daar schreven we ons in voor de cursus Lange verhalen.