Help, ik smelt!

Het is nu gelukkig wat koeler, maar de afgelopen dagen leek het of ik smolt. Vandaar dat ik dit toppertje van vorig jaar augustus even in de herhaling doe.

Eigenlijk zou ik binnen moeten blijven, daar is het koel. In ieder geval koeler dan buiten. Er staat geen zuchtje wind en het lijkt of ik in een foto stap. In dit stilleven ben ik de enige die beweegt Lees verder

Over HET BOEK en brieven schrijven

Op de één of andere manier kom ik de laatste tijd steeds in leuke projectjes terecht. Niet alle projectjes waar ik me voor aanmeld gaan door, maar dat mag de pret niet drukken. De volgende twee projectjes zijn voor mij inmiddels afgerond.

Brieven schrijven
Wie schrijft er tegenwoordig nog met de hand een brief naar iemand, zo maar voor de lol? Dat zijn meer mensen dan je zou denken …
Via Postcrossing kun je meedoen met een wereldwijd brievenproject. Je stuurt een brief naar een voor jou onbekende persoon, soms helemaal naar de andere kant van de wereld. Vervolgens krijg je zelf ook handgeschreven brieven uit diverse landen terug. Hoe leuk is dat. 🙂

Het kan nog leuker! Ik volg inmiddels al bijna een jaar trouw dagelijks het blog van Lauradenkt. Laura schrijft, filosofeert en interviewt er een eind op los en dat is erg leuk om te lezen. Ze heeft ook een brievenrubriek waarbij ze brieven schrijft naar bedrijven en hoopt dat die haar brieven ook beantwoorden, het liefst handgeschreven natuurlijk.

Ze schrijft ook naar de lezers van haar blog, wanneer die zich tenminste opgegeven hebben. Ik ontving een paar maanden geleden een brief van Laura waarin ze me een aantal (grappige) vragen stelde. Ik beantwoordde de brief natuurlijk handgeschreven, anders zet Laura een minnetje achter je naam. 🙂 Je kunt hier de brieven lezen die we elkaar schreven.

HET BOEK!
Dan is er ook nog het HET BOEK, een project van Nicole. Ook haar blog en schrijfsels lees ik al een jaar met heel veel plezier. Toen ze met HET BOEK op de proppen kwam aarzelde ik geen moment en ik meldde me aan. HET BOEK dat nu nog leeg is, wordt rondgestuurd. Wanneer je het ontvangt vul je 5 tot 10 pagina’s met dingen waar je blij van wordt of waar je inspiratie van krijgt. Ben je klaar met je bijdrage, dan stuur je het door naar de volgende persoon.

Ik bleek de eerste enthousiasteling te zijn die me had opgegeven en dus de eerste die HET BOEK ontving. Voor mij was het niet even lekker snuffelen in de pagina’s om te zien wat anderen gemaakt hadden. Nee, ik moest beginnen!

Gelukkig waren de voorwaarden heel simpel en ik ben gewoon begonnen. Eerst wilde ik wat pagina’s met aquarel vullen, maar ik kwam er al snel achter dat de pagina’s van HET BOEK daar niet geschikt voor zijn. Ook wilde ik er graag iets van klei in kwijt. Het werd uiteindelijk een boekenlegger, die alleen niet om HET BOEK kan blijven zitten tijdens het verzenden. Dan past het namelijk niet meer door de brievenbus.

Hieronder een paar fragmenten uit mijn negen pagina’s van HET BOEK!

Help, ik smelt!

Eigenlijk zou ik binnen moeten blijven, daar is het koel. In ieder geval koeler dan buiten. Er staat geen zuchtje wind en het lijkt of ik in een foto stap. In dit stilleven ben ik de enige die beweegt.

Ik duw mezelf vooruit en voel hoe de warme lucht me inpakt. Traag schuif ik een stoel opzij en ga zitten. Een kat, die onder de stoel lag, vlucht weg naar de tuin van de buren. Ik sluit mijn ogen, even lijkt het mee te vallen, maar dan prikken de stralen van de zon venijnig in mijn huid.
“Dit ga ik niet lang volhouden”, hoor ik mezelf mompelen. Toch blijf ik zitten en registreer de geluiden die ik hoor maar half. Kindervoeten denderen in deze temperaturen onverminderd door over het pad langs de sloot. Hun schrille stemmen zorgen ervoor dat ik niet in slaap val.

Mijn hand grijpt naar een glas water. Kloink, kloink, tingelen de ijsblokjes als ik het glas naar mijn mond breng. Een klein straaltje koel water ontsnapt uit mijn mondhoek en loopt langs mijn kin mijn nek in. Het brengt een schok teweeg, mijn hart lijkt even stil te staan. Daar is nog een straaltje, over mijn rug deze keer. Twee zweetdruppels doen een wedstrijdje wie het eerste beneden is. Ik zet het glas terug, leg mijn benen op een krukje en zak weer in de stoel.

Een voorbijscheurende motor haalt me uit een dutje en ik open mijn ogen. Knalrode armen vertellen me dat het tijd wordt om naar binnen te gaan. Wanneer ik mijn benen van het krukje wil halen merk ik dat het niet lukt. Tot mijn schrik zie ik dat er een rozeachtige smurrie ligt op het krukje, mijn voeten zijn nergens te bekennen. Aan mijn knieholten hangen grote druppels. Het lijkt wel kaarsvet. Met zware armen wrijf mijn ogen uit, dat had ik beter niet kunnen doen. Nu zakt mijn linkeroog langzaam over mijn wang naar beneden. Ik wil roepen, maar er komt slechts een gorgelend geluid uit mijn keel.

Er is geen houden meer aan. Mijn rechterhand blubbert van de leuning en de buik waar ik al maanden niet meer tevreden over ben zakt naast mijn billen. Samen zijn ze van plan om zich van de zitting te laten glijden. Ook mijn andere oog zakt nu naar beneden en mijn oren hangen op mijn afgezakte schouders. Nog een laatste keer knipper ik met mijn ogen, dan is het donker.

Eén onweersbui alstublieft

Je kunt mij een groot plezier doen met een flinke onweersbui. Ter inspiratie voor spannende verhalen bedoel ik dan. Als ik er zelf middenin zit ben ik er minder blij mee. Wanneer de eerste lichtflits de hemel doorklieft, veer ik op en spits mijn oren om niets te hoeven missen van de daarop volgende rollende donder.

Vanaf de bank zie ik hoe donkere wolken voorbijrazen en de takken van de bomen wild heen en weer zwiepen. De regen stort zich vol overgave op het dakraam. Niets heerlijkers dan comfortabel hangen op de bank of diep wegduiken onder je dekbed terwijl je de hoofdpersoon uit je verhaal lekker buiten voor een dichte deur laat staan. Ga maar eens uitzoeken hoe je dit onweer moet overleven.

Menig snodaard werd in mijn fantasie geboren tijdens een hels onweer om de rest van zijn leven nergens meer voor te deugen. Regelmatig worden er lijken versleept in de stromende regen omdat criminelen daar nou eenmaal de voorkeur aangeven. Op een warme zomeravond doe je zoiets gewoon niet, dan rooster je de ‘lijken’ op de BBQ. Ook liet ik eens een man om het leven komen, door de bliksem getroffen, toen hij met een spade iemand de genadeklap wilde geven. Ik kan er niets aan doen, bij de eerste donderklap gaan de radartjes in mijn hoofd draaien en trekken moordenaars hun jas aan om ‘buiten te spelen’.

Wat als je nou middenin zo’n heftige scene zit en het zonnetje schijnt vrolijk door je venster naar binnen? Geen nood, daar heb ik de perfecte oplossing voor. Met een selectie aan regen- en onweersbuien op cd kan ik door mijn ogen te sluiten in de juiste sfeer komen.
Als donkere wolken zich samenpakken kun je het, als hoofdpersoon in mijn verhalen, wel schudden!

In het kader van de thrillermaand en het ´schitterende zomerweer´ heb ik deze blogpost uit juni 2011 opnieuw geplaatst.

Verhaal: In de tuin

Het is zaterdagochtend en de zon schijnt. Met een broodje en een kopje thee loop ik naar buiten. Ik zet een stoel in de zon, haal wat kussens en een boek. Tevreden ga ik zitten en roer in mijn thee. Eindelijk lijkt de zomer dan toch aan te breken. Voorzichtig ben ik begonnen de afgelopen avonden buiten te eten. Eerst even een half uurtje uitblazen na een werkdag, dan het eten klaar maken. Een placemat op de tafel, bord en bestek mee en als ik dan eindelijk zit is de zon weg. Natuurlijk is het dan te koud om te blijven zitten en ik neem alles weer mee naar binnen om daar grommend toe te zien hoe mijn tuinstoelen alweer baden in het zonlicht.

Nu is het dan zover, uit in eigen tuin. Het boek laat ik nog even liggen, eerst geniet ik van het feit dat ik het onkruid er vorige week al uitgehaald heb. Dan geniet ik van de rust, de fluitende vogeltjes, de piepende jonge meerkoetjes en kwakende eenden in het slootje dat aan mijn tuin grenst. Via een luid gesnuif laten de zwanen weten dat ze best een stukje brood zouden lusten, maar dat gaan ze dan zelf maar zoeken.
Een paar meerkoeten rennen over het water wat eenden achterna en ik hoor een hoop gespat. Tussen het bamboe door zie ik een rubberbootje dobberen met een jochie er in. Het puntje van zijn tong steekt uit zijn mond terwijl hij probeert de boot recht te houden. Hij vaart natuurlijk tegen mijn steiger aan en draait vervolgens stuurloos enkele rondjes voor hij de rest van de sloot onveilig maakt.

Ik sla het boek open en begin te lezen. Bij de buren gaat de deur open.
“Papa gaan we buiten zitten? Papa kijk nou, de zon”, hoor ik mijn buurmeisje zeggen. Eerst moet ze de bloemetjes water geven en ik hoor de buurman lachen omdat ze een plastic plant ook water geeft. De deur gaat dicht en het wordt weer rustig.
Niet lang natuurlijk. Het rubberbootje komt terug met twee jochies er in die joelend en vervaarlijk zwaaiend met peddels langs dobberen. Ik denk na over een systeem om tol te heffen zonder al te lullig over te komen. Dan dwing ik mezelf ontzettend blij te zijn dat het geen rondvaartboot is die een paar keer per dag langskomt, wat maar matig lukt. Vervolgens probeer ik aan al die minderbedeelden te denken die helemaal geen tuin tot hun beschikking hebben en als ook dat niet lukt herinner ik me ineens hoe zielig ik mezelf vond toen ik nog in de flat woonde. Zo dat werkt, ik ben weer tevreden.

Inmiddels zitten de buren gezellig buiten. De buurman zit te vissen en ik vermoed dat de buurvrouw een boekje leest. De kids zijn aan het spelen maar dat duurt meestal niet lang. Mijn buurmeisje begint te zingen: “Hocus Pocus, iedereen kan toveren … hm, hm, hm. Hocus Pocus, iedereen kan toveren … hm, hm, hm.” Ze herhaalt het nog een paar keer en ik hoop dat haar moeder het net zo zat begint te worden als ik. Helaas, ook de buurvrouw denkt dat iedereen kan toveren en ze zingt mee. Krampachtig lees ik verder. Het helpt ook niet wanneer ze voorstelt de kinderen voor te lezen.

Weer komt het rubberbootje langs met ditmaal een jochie en een volwassen vent er in. Met open mond kijk ik het bootje na en met open mond kijkt de man terug. Ik herstel me en hoop dat hij uit mijn subtiele blik, wenkbrauwen zo ver mogelijk naar beneden en mondhoeken omlaag, opmaakt dat ik het gedobber niet op prijs stel. Hij heeft het niet begrepen, het bootje komt terug en ik ga met mijn rug naar de sloot toe zitten.

De buurkinderen zijn alleen achtergelaten in de tuin en na steeds luider wordende “neehee’s” en “nouhou’s” is het bekvechten eindelijk begonnen. Mijn zuchten en kuchen wordt niet opgemerkt, ze zijn te druk bezig om hun arme buurvrouw in nood te horen. Ik vrees dat ik zelf in moet grijpen en vraag me af of ik dat wel kan maken. Na een paar minuten moed verzamelen, vind ik dat het kan.

“Jongens, hallo. Kunnen jullie misschien even rustig doen?”, vraag ik. Even is het stil, dan begint er eentje te brullen. Huilend loopt ze naar binnen en de schrik slaat me om het hart. Ik ben er één, schiet het door mijn hoofd. Ik had niet gedacht dat het ooit zover zou komen maar ik ben dus zo’n boze buurvrouw. Een beetje bang voor mijn eigen boze buurvrouw ga ik snel naar binnen.

Uit het vriesvak haal ik een pizza en ik zet de oven aan. In de tuin waggelen twee eenden, mijn mooie Akelei vertrappend, doelbewust naar het kleine vijvertje. Het wordt tijd voor een borrel. Wanneer ik de Baileys in het glas schenk beginnen de ijsblokjes krakend te protesteren. De kookwekker laat weten dat de pizza klaar is. Voorzichtig sluip ik naar buiten en de eenden vliegen kwakend weg. Ik ga zitten en neem een hap van de pizza. Een rookwolkje komt aarzelend over de schutting heen. Wat minder aarzelend volgt het tweede wolkje en al snel heb ik door dat er iemand aan het bbq’en is. De pizza en Baileys worden verder binnen genuttigd terwijl ik de reisfolders doorblader.

’s Avonds zit ik hartelijk te lachen om een aflevering van ‘Dit was het nieuws’ als er wordt aangebeld. De buurkinderen staan in pyama op de stoep, allebei een duim in de mond en een beer onder de arm geklemd. Of het misschien ook wat rustiger kan.

Copyright by Appelig©

De toiletjuffrouw (3)

> Lees eerst deel 1 en deel 2

We lopen door de winkelstraat en Steven vertelt in welke winkels hij wil kijken. Het gaat allemaal langs me heen. Ik zie alleen nog maar die irritante vrouw voor me en ik merk dat mijn wraakgevoelens nog niet zijn verdwenen. Hoe kan het toch dat ik me zo op mijn kop laat zitten door dit mens.
De winkellol is er voor mij af, maar Steven geniet des te meer. Elke sportzaak moet er aan geloven. Aan het einde van de middag hebben we aardig wat plastic tasjes verzameld.

“Ik moet nog even plassen”, zeg ik en ik sleur Steven mee.
Voor de tweede keer die dag loop ik de hamburgerzaak binnen. Steven blijft buiten staan terwijl ik vlot de trap neem. De boosheid van die ochtend heeft plaatsgemaakt voor schik, ik begin er lol in te krijgen. Ze zit er nog en wederom kijkt ze me wantrouwend aan. Terecht deze keer.
“Sodemieter op”, zegt ze
“Ik heb geld bij me, dus ik mag gewoon doorlopen.” Ik vouw mijn armen over elkaar.
“Dat dacht ik niet.” Ze lacht spottend en grijpt naar het pakje sigaretten dat voor haar op tafel ligt. Ik pak het geld uit mijn broekzak en gooi het op het schoteltje.
“Hier.”
De aansteker hapert en na een keer of tien lukt het haar eindelijk de sigaret te laten branden.
“Ik weet niet wat je wilt meisje.” Ze blaast de rook door haar neus naar buiten waardoor ze op een draak lijkt. “Maar als je het echt wilt kan ik de manager erbij halen om je eruit te zetten.”
Ik lach, te hard. “Mij eruit te zetten? Ik dacht eerder aan uw ontslag.”
Ze haalt haar schouders op. “Ik zit hier om 30 cent te vragen aan de klanten en ik zal echt niet ontslagen worden voor het feit dat ik dat doe.”
“Misschien wel voor de manier waarop. Het enige dat ik wil is excuses voor uw onbeschofte gedrag van vanmorgen.” Ik stop voordat mijn stem overslaat.
“Ik weet niet waar je het over hebt,” zegt de draak. “Ik weet alleen dat ik je voor die troep die je vanmorgen achterliet, de toegang tot de wc kan weigeren.” Dreigend staat ze op. Ik had gehoopt dat het hele gezeik achter de rug was, ze ging echter voor de verlenging. Ik graai het geld weer van het schoteltje en loop weg. Achter me hoor ik honend gelach.

“En nou hou je er mee op. Laat je toch niet zo opfokken door dat mens,” zegt Steven wanneer ik met een boos gezicht naar buiten kom. Hij is het duidelijk niet met mijn acties eens.
“Ik kan er niet mee ophouden, ik heb gelijk en dat zal ik krijgen ook!” Ik versnel mijn pas en loop een paar meter voor hem uit naar de parkeergarage.
“Als je gelijk hebt hoef je het niet meer te krijgen”, roept hij me achterna. Ik ben vastbesloten, zo makkelijk komt ze niet van me af.
Zwijgend rijden we de parkeergarage uit. Het is behoorlijk druk. Nu de winkels gesloten zijn heeft niemand meer iets in de stad te zoeken. Iedereen wil zo snel mogelijk naar huis. Ineens zie ik haar lopen. Het witte schort heeft plaatsgemaakt voor een witte regenjas, maar het is de toiletjuffrouw. Ik kijk even opzij, maar Steven heeft niets in de gaten. Wat een buitenkansje.
“Waar ga je heen, je moet hier rechtsaf” roept Steven.
“Jaha, heel even. Je hebt toch geen haast?” Ik krijg een kriebel in mijn buik. Het is alsof ik de hoofdrol speel in een detectiveserie.
“Hé! Je denkt toch niet dat ik achterlijk ben? Ik zie heus wel waar je mee bezig bent.” Steven kijkt me boos aan. “Stop hier onmiddellijk mee.” Hij geeft een ruk aan het stuur en ik trap van schrik op de rem. Achter ons klinkt getoeter. Steven stapt uit, loopt om de auto heen en opent mijn portier.
“Eruit! Ik rij wel en je kunt netjes naast me gaan zitten of je zet je achterlijke plan door, maar dan wel lopend.” Hij trekt hard aan mijn arm en ik stap uit. Ik zie de toiletjuffrouw rennen naar de bushalte. Snel pak ik mijn tas en ren er achteraan.

Einde of lees deel 1 nog een keer om te zien hoe het ook alweer afloopt. 😉

NB: Tijdens de totstandkoming van dit verhaal zijn geen toiletjuffrouwen mishandeld, toiletten bevuild of stenen door ruiten gegooid. 

Copyright by Appelig©

De toiletjufrouw (2)

> Lees eerst deel 1

“Ik ga even naar de wc”, zeg ik. Tot mijn verbazing zie ik voor de deuren van de heren- en dames wc een toiletjuffrouw zitten. Ze tikt haar sigaret af op de rand van een kleine zwarte asbak en praat in een mobieltje. Haar vettige grijze haren zijn in een staart bijeengebonden, een losgekomen sliert hangt voor haar ogen en plakt tegen haar bril. Ze neemt nog een trekje terwijl ze luistert naar de persoon aan de andere kant van de lijn. Vanachter haar uilenbril kijkt ze me wantrouwend aan, als ik de deur opentrek.

“30 cent betalen”, snauwt de vrouw. Geschrokken kijk ik haar aan.
“Ik heb iets gekocht”, stamel ik. Ze kijkt me niet aan en praat verder met het mobieltje. Voor haar is het blijkbaar al einde discussie.
“Ik zit daar aan het tafeltje.” Ik wijs naar het tafeltje waar Steven zit te eten. Ze kijkt me verwijtend aan en stopt een vinger in haar oor.
“Sorry Trudy, ik kan je niet verstaan. Er staat iemand doorheen te blaten.”
Verbouwereerd staar ik haar aan en vraag me af of ik het goed verstaan heb. Ik haal adem om weer wat te zeggen, maar ze staat op en draait zich demonstratief met haar rug naar me toe. Ondertussen praat ze onverstoorbaar verder met Trudy “Ja, nou ja. Je hebt nou eenmaal van die lastige klanten.”
Mijn mond valt open. Als zij brutaal kan zijn, kan ik het ook. Ik trek de toiletdeur open en wil naar binnen gaan. Ze had er echter op gerekend en gooit haar brede achterwerk in de strijd. De deur zwiept met een klap voor mijn neus dicht.
“Is het nou afgelopen?” roept ze tegen me, alsof ik een kleuter ben. Haar hand houdt ze beschermend over haar mobieltje.

Ik begin kwaad te worden. Dat ik moet betalen is tot daaraan toe maar de onbeschofte manier waarop ik word behandeld maakt me woest. Ik zou het liefst haar tafeltje omkiepen en haar eens goed de waarheid zeggen.
“Wat is dit voor een ballentent,” zeg ik hard. Het is het enige beschaafde dat ik eruit krijg, maar er wordt niet gereageerd. Snuivend, bijna stampvoetend, been ik terug naar het tafeltje”
“Wat is er aan de hand?” vraagt Steven verbaasd wanneer ik trillend van woede aan de tafel aanschuif.
“Ik moet nota bene betalen om te mogen plassen hier”, mijn stem slaat over. Snel pak ik de hamburger en haal het papier eraf.
“Je hebt toch geen ruzie gemaakt?” Steven kijkt me nu bezorgd aan.
Ik vouw het broodje open en pulk zorgvuldig de augurk uit de saus. “Nee, natuurlijk niet. Ik ben gewoon boos omdat dat mens zo onbeschoft deed tegen me.” Kort vertel ik Steven wat er gebeurt is.
“Ach, dat mens zit hier ook niet voor haar lol”, zegt hij. “Trek je er niks van aan, we lopen wel even naar V&D straks.”

Ik neem een paar happen en kauw mijn eten fijn. Met een milkshake spoel ik het weg. De hamburger smaakt me niet en ik gooi hem terug op tafel. Mijn brein is ineens heel creatief en verzint massa’s ideeën om het haar betaald te zetten. Ik moet nog steeds nodig. Uit mijn portemonnee pak ik 30 cent. De half opgegeten hamburger moffel ik onder mijn trui. Zo rustig mogelijk loop ik weer naar het toilet en ik leg het geld op het schoteltje. De toiletjuffrouw glimlacht triomfantelijk.
“Zie je nou wel, je kan het wel”, zegt ze er nog achteraan.
In gedachten zie ik hoe ik haar met één mep van haar stoel sla en vervolgens een dansje maak op haar bril.

Ik weet me in te houden tot ik de toiletdeur achter me op slot doe. Eerst schreeuw ik geluidloos. Dan doe ik waarvoor ik gekomen ben en zorg ervoor dat ik over en net naast de bril plas. Dat valt nog niet mee als je van plan bent zelf wel droog te blijven. Zo dat lucht op. De restanten van de hamburger smeer ik zorgvuldig uit over de tegeltjes. Tevreden bekijk ik het resultaat. Wanneer ik naar buiten loop zeg ik: “Misschien kun je het voor dat geld tenminste even schoonmaken.”
Verbaasd en een tikje ongerust kijkt ze me na.

“Zo is het gelukt?’ vraagt Steven met een glimlach.
“Ja hoor”, ik glimlach allerliefst terug.

> Lees deel 3 (het slot)

Copyright by Appelig©