Verhaal: In de tuin

Het is zaterdagochtend en de zon schijnt. Met een broodje en een kopje thee loop ik naar buiten. Ik zet een stoel in de zon, haal wat kussens en een boek. Tevreden ga ik zitten en roer in mijn thee. Eindelijk lijkt de zomer dan toch aan te breken. Voorzichtig ben ik begonnen de afgelopen avonden buiten te eten. Eerst even een half uurtje uitblazen na een werkdag, dan het eten klaar maken. Een placemat op de tafel, bord en bestek mee en als ik dan eindelijk zit is de zon weg. Natuurlijk is het dan te koud om te blijven zitten en ik neem alles weer mee naar binnen om daar grommend toe te zien hoe mijn tuinstoelen alweer baden in het zonlicht.

Nu is het dan zover, uit in eigen tuin. Het boek laat ik nog even liggen, eerst geniet ik van het feit dat ik het onkruid er vorige week al uitgehaald heb. Dan geniet ik van de rust, de fluitende vogeltjes, de piepende jonge meerkoetjes en kwakende eenden in het slootje dat aan mijn tuin grenst. Via een luid gesnuif laten de zwanen weten dat ze best een stukje brood zouden lusten, maar dat gaan ze dan zelf maar zoeken.
Een paar meerkoeten rennen over het water wat eenden achterna en ik hoor een hoop gespat. Tussen het bamboe door zie ik een rubberbootje dobberen met een jochie er in. Het puntje van zijn tong steekt uit zijn mond terwijl hij probeert de boot recht te houden. Hij vaart natuurlijk tegen mijn steiger aan en draait vervolgens stuurloos enkele rondjes voor hij de rest van de sloot onveilig maakt.

Ik sla het boek open en begin te lezen. Bij de buren gaat de deur open.
“Papa gaan we buiten zitten? Papa kijk nou, de zon”, hoor ik mijn buurmeisje zeggen. Eerst moet ze de bloemetjes water geven en ik hoor de buurman lachen omdat ze een plastic plant ook water geeft. De deur gaat dicht en het wordt weer rustig.
Niet lang natuurlijk. Het rubberbootje komt terug met twee jochies er in die joelend en vervaarlijk zwaaiend met peddels langs dobberen. Ik denk na over een systeem om tol te heffen zonder al te lullig over te komen. Dan dwing ik mezelf ontzettend blij te zijn dat het geen rondvaartboot is die een paar keer per dag langskomt, wat maar matig lukt. Vervolgens probeer ik aan al die minderbedeelden te denken die helemaal geen tuin tot hun beschikking hebben en als ook dat niet lukt herinner ik me ineens hoe zielig ik mezelf vond toen ik nog in de flat woonde. Zo dat werkt, ik ben weer tevreden.

Inmiddels zitten de buren gezellig buiten. De buurman zit te vissen en ik vermoed dat de buurvrouw een boekje leest. De kids zijn aan het spelen maar dat duurt meestal niet lang. Mijn buurmeisje begint te zingen: “Hocus Pocus, iedereen kan toveren … hm, hm, hm. Hocus Pocus, iedereen kan toveren … hm, hm, hm.” Ze herhaalt het nog een paar keer en ik hoop dat haar moeder het net zo zat begint te worden als ik. Helaas, ook de buurvrouw denkt dat iedereen kan toveren en ze zingt mee. Krampachtig lees ik verder. Het helpt ook niet wanneer ze voorstelt de kinderen voor te lezen.

Weer komt het rubberbootje langs met ditmaal een jochie en een volwassen vent er in. Met open mond kijk ik het bootje na en met open mond kijkt de man terug. Ik herstel me en hoop dat hij uit mijn subtiele blik, wenkbrauwen zo ver mogelijk naar beneden en mondhoeken omlaag, opmaakt dat ik het gedobber niet op prijs stel. Hij heeft het niet begrepen, het bootje komt terug en ik ga met mijn rug naar de sloot toe zitten.

De buurkinderen zijn alleen achtergelaten in de tuin en na steeds luider wordende “neehee’s” en “nouhou’s” is het bekvechten eindelijk begonnen. Mijn zuchten en kuchen wordt niet opgemerkt, ze zijn te druk bezig om hun arme buurvrouw in nood te horen. Ik vrees dat ik zelf in moet grijpen en vraag me af of ik dat wel kan maken. Na een paar minuten moed verzamelen, vind ik dat het kan.

“Jongens, hallo. Kunnen jullie misschien even rustig doen?”, vraag ik. Even is het stil, dan begint er eentje te brullen. Huilend loopt ze naar binnen en de schrik slaat me om het hart. Ik ben er één, schiet het door mijn hoofd. Ik had niet gedacht dat het ooit zover zou komen maar ik ben dus zo’n boze buurvrouw. Een beetje bang voor mijn eigen boze buurvrouw ga ik snel naar binnen.

Uit het vriesvak haal ik een pizza en ik zet de oven aan. In de tuin waggelen twee eenden, mijn mooie Akelei vertrappend, doelbewust naar het kleine vijvertje. Het wordt tijd voor een borrel. Wanneer ik de Baileys in het glas schenk beginnen de ijsblokjes krakend te protesteren. De kookwekker laat weten dat de pizza klaar is. Voorzichtig sluip ik naar buiten en de eenden vliegen kwakend weg. Ik ga zitten en neem een hap van de pizza. Een rookwolkje komt aarzelend over de schutting heen. Wat minder aarzelend volgt het tweede wolkje en al snel heb ik door dat er iemand aan het bbq’en is. De pizza en Baileys worden verder binnen genuttigd terwijl ik de reisfolders doorblader.

’s Avonds zit ik hartelijk te lachen om een aflevering van ‘Dit was het nieuws’ als er wordt aangebeld. De buurkinderen staan in pyama op de stoep, allebei een duim in de mond en een beer onder de arm geklemd. Of het misschien ook wat rustiger kan.

Copyright by Appelig©

14 gedachtes over “Verhaal: In de tuin

  1. Leuk verhaal met een nog leuker einde. Dat krijg je er van…, boze buurvrouw! Kinderen vertellen je vaak de waarheid.

  2. Oef boze buurvrouw.. Die hebben wij gelukkig niet 🙂
    Wel van die kinderen… Met hun “genououhouuuw en “PAAAPAAAAAAA” *zucht* als de zon schijnt ziet alles er gewoon beter uit. Zelfs met jengelende kinderen 🙂
    Leuk geschreven!

  3. Zo erg dit. Heb je 24/7 geluidsoverlast van de buurvrouw, komt zij klagen wanneer je kind een keertje uitbundig lacht… Grrr…. Ik herken je verhaal… een beetje.

    • Mijn achterbuurvrouw was oppasmoeder. Een hele goede ben ik nog steeds van mening. Yep is niet voor niets 7 jaar bij haar gast in huis geweest. Alleen haar gewoonte om op woensdagochtend vroeg, op mooie dagen, met de kleintjes naar K3 te luisteren en mee te zingen, achter in haar tuin, bijna onder mijn, op mijn vrije dag, was iets te veel van het goede.

  4. Ik vind het wel leuk als de kinderen aan het spelen zijn.
    Maar als ze gaan gillen dan gil ik ook een keer.
    En da helpt heel goed.

  5. Zo herkenbaar. Ik zat bij voorkeur in mijn tuin om elf uur ’s avonds in de zomer. Als iedereen sliep. Kaarsjes aan, boekje erbij. Maar ja… Dan kwamen de muggen…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.